DE BR18 – EEN PACIFIC, Deel 1

BR18, een serie over een elegante stoomloc.

Ha! De Baureihe 18, de Rheingold Loc! Nee, de Beierse S3/6! Welnee, een Pacific is een 01!

Op zichzelf beschouwd klopt dat allemaal, de 01 is een Pacific, maar ook een lok van de Baureihe 18. Loks van de Baureihe 18 hebben inderdaad de Rheingold getrokken, maar dat heeft de 01 ook wel gedaan, net als de Beierse S3/6 of de Badische IVh, ook al een lok van de BR 18 èn een Pacific.

BR18

BR01 Pacific, asindeling 2'C'1

 
Laten we maar eens beginnen met kijken wat een Pacific nou eigenlijk is. Deze term stamt oorspronkelijk uit de Verenigde Staten, net als een aantal andere zoals Mikado, Santa Fé of Decapod. Atlantic is er ook eentje, en er zijn er wel meer. Maar Pacific, Mikado en Atlantic zijn wel de bekendste die ook in de Europa zijn ingeburgerd. Maar wat betekenen die namen nou eigenlijk?

Welnu, zoals Atlantic staat voor een locomotief met de asindeling 2’B, Mikado voor 1’D1’en Santa Fé voor 1’E1’, zo staat “Pacific” voor een asindeling van 2’C1’: twee voorloopassen in een draaistel, drie aangedreven assen en nog een naloopas in een draaistel. En precies dat is hetgeen alle loks van de Baureihe 18 gemeen hebben, of het nu om De Schöne Württembergerin gaat of de Badische IVh, om de Beierse S3/6 of de Sächsische XVIII h. Overigens ook de loks 01, 02, 03, 01.10 enzovoorts, allemaal Pacifics, maar die vallen niet onder de BR 18.

BR18

BR39 Mikado, asindeling 1"D'1

 
Toen de diverse Duitse Länderbahnen in 1920 in de nieuw opgerichte Deutsche Reichsbahn werden ondergebracht, werd er een heel programma opgezet voor nieuw te bouwen locomotieven. De bedoeling was, om zoveel mogelijk onderdelen uitwisselbaar te maken: de zogenaamde Einheitslok ontstond. Dat wil niet zeggen, dat het hele voorradige locomotievenpark van de Pruissische, Beierse, Oldenburger, Badische en noem al die Länderbahnen maar op, zomaar aan de kant gegooid werd.

Sterker nog, men heeft zelfs nog overwogen om bepaalde types in het Einheitsprogramm op te nemen, omdat ze op zichzelf goed voldeden. Weliswaar is dat met geen
enkele Länderbahnlok het geval geweest, toch kun je, bijvoorbeeld aan de gelijkenis tussen de Pruissische P10 en de Einheitslok 01, wel zien dat men de ogen niet gesloten hield voor (destijds) succesvolle ontwikkelingen.

BR18

BR95 Santa Fé, asindeling 1'E'1

Om toch dat voorradige park in het systeem te passen, werden daarvoor uitverkoren types in het nieuwe nummersysteem ondergebracht. Alle locomotieven die bepaalde specificaties gemeen hadden, kregen een eigen serienummer. Zo ook locomotieven met de asindeling 2’C1’, de Pacifics, zoals u nu weet. Omdat de loks BR 01, 02, 03 en al hun afgeleiden nieuw ontwikkelde Einheitsloks waren, kregen die hun eigen serienummer.

Alle Länderbahn-Pacifics werden ondergebracht in de Baureihe 18. Om al deze verschillende Länderbahntypes te kunnen blijven onderscheiden, werden ze onderverdeeld in “subseries”, die je kunt herkennen aan het eerste cijfer van de serienummers achter het Baureihennummer (18), dus bijvoorbeeld 18.0, 18.3 etc .

Laten we eens kijken welke dat zoal waren:

18.0 De Saksische XVIII h
BR18 BR18  
Nadat Sachsen al locomotieven met een viercilinderstoommachine had gebouwd, waagde men zich ook aan een driecilinder. Dit was de XVIII h. In de loop van de jaren 1917 en 1918 werden van deze machines tien stuks gebouwd, bij de Deutsche Reichsbahn werden ze genummerd 18 001 – 18 010. Als thuisdepot hadden ze Dresden, zodat ze voornamelijk in treindiensten rond die stad te vinden waren, zoals op de routes Dresden – Berlijn en Dresden – Leipzig.
Na de Tweede Wereldoorlog (18 002 ging tijdens de oorlog verloren) bleven ze in Dresden, zodat ze bij de Deutsche Bundesbahn nooit dienst hebben gedaan. Bij de Oost Duitse DR werden ze zo midden zestiger jaren uit dienst gehaald.

Doorsnede aangedreven wielen: 1905 millimeter. Aantal cilinders: 3 (geen compound)

18.1 De “Schöne Württembergerin”, de Württembergse C
BR18Van dit lok type werden tussen 1909 en 1921 41 stuks gebouwd. Het waren locomotieven met vier cilinders, die als compound-machine werkten. De Deutsche Reichsbahn deelde ze in de BR 18 in onder de nummers 18 101 tot en met 18 137. Het zal u opvallen dat dat slechts 37 stuks betreft, dat komt omdat vier van deze locs na de Eerste Wereldoorlog als deel van de herstelbetalingen afgegeven moesten worden, drie stuks aan Frankrijk en eentje aan Polen.

BR18Deze locomotief kenmerkt zich door haar bijzondere uiterlijk: vooral het toegevoegde frame onder de omloopplaten springt in het oog. Ook de machinistencabine draagt bij aan haar opvallende verschijning. Deze is door de gestroomlijnde vormgeving op fraaie wijze in het geheel geïntegreerd.

Omdat de lok ontworpen was naar de eisen, zoals die door de Württembergse topografie gesteld werden, was ze relatief klein uitgevallen, de drijfwielen hadden een middellijn van slechts 1800 millimeter.

BR18 
Voor de schaal H0 heeft Roco een mooi model voor de gelijkstroommarkt in de handel gebracht, de wisselstromers kunnen bij Märklin aan hun trekken komen. Gezien het feit dat het een echte sneltreinlok betreft, hoef je voor een bijpassende stam rijtuigen niet lang te zoeken. Een wel hele mooie combinatie is de “Schöne Württembergerin” voor de Oriënt Express.

Na WOII bleven 23 stuks van deze mooie locs bij de DB, waar ze nog tot 1955 dienst deden.

Helaas is er geen enkel exemplaar voor het nageslacht bewaard gebleven.

Doorsnede aangedreven wielen: 1800 millimeter, aantal cilinders: 4 (compound)

18.2 De Badische Ivf
BR18Bijna was dit type de allereerste Pacific op de Europese spoorwegen geweest. Slechts een paar maanden eerder eiste de serie 4500 van de Franse Paris-Orléans spoorweg deze eer voor zich op.

In totaal zijn er tussen 1907 en 1913 35 locs van het type Ivf gebouwd. Evenals de hiervoor beschreven Württembergische C (18.1) had ook deze serie relatief kleine aangedreven wielen, dit vanwege de inzet op heuvelachtig terrein.

BR18De Deutsche Reichsbahn nam nog 22 van de 35 gebouwde locs op in het nieuwe nummerschema, te weten: 18 201, 18 211 – 18 217,
18 231 – 18 238 en 18 251 – 18 256.

Al rond 1930 werden de machines terzijde gezet en uit dienst genomen vanwege het intensieve onderhoud wat nodig was om de locs inzetbaar te houden.

Doorsnede aangedreven wielen: 1800 millimeter, aantal cilinders: 4 (compound)

Wordt vervolgd.

Bron: o.a. MD Drachten, Jan Berends.